6 Zondag, Jaar C 

Die zaligprijzingen zijn een weg dat Christus voorstelt om geluk te brengen; ze zijn ons gegeven als bliksemschichten midden een storm, onze storm. Ze halen ons overhoop, ze verrassen ons, ze brengen ons in de war, ze slaan ons vastgeankerd gedachtenpatroon duizendwerf aan diggelen. Ze zijn het antwoord van Christus op de tien geboden, die oudtestamentische wetten die reeds een mogelijke weg voorstelden naar het geluk. Maar anders dan deze laatsten sluiten de zaligprijzingen (van Christus) zich niet op in wetsvoorschriften die zeggen wat ge moet doen. Nee, het “zalig zijt gij die…” en het “wee u…” van het evangelie zijn geen normen, maar veeleer uitdagingen gericht tot elk van ons in ons rustig leventje. En die goddelijk uitdagingen, we worden geroepen erop in te gaan.

Christus herinnert er ons zo aan dat, zelfs als hier op aarde het “alles en onmiddellijk” waardevol is, die onmiddellijkheid helaas van ons toch “reeds verzadigde” mensen maakt, om het te zeggen met de woord van Jezus zelf. Welnu, het geluk is nooit een reeds bereikte toestand, het projecteert zich altijd naar de dag van morgen. Overigens gaat het ook zo met de vriendschap en de liefde : ze vragen tijd : de tijd om zichzelf beetje bij beetje te vormen, naargelang toevallige ontmoetingen. Die gevoelens zijn nooit gans vervuld, anders sterft de relatie af. Gesterkt door deze vaststelling moet ge het dan aandurven, voor een geluk op lange termijn, de ervaring te doorleven van een tekort, een leegte. Het is vanuit de leegte dat het bestaan ontspringt, dat een vrijere relatie tot de andere en tot God kan tot stand komen. “Als ik leeg ben van alles, is het om beter u te verwachten” zegt Don Camilo in “Le soulier de satin” van Paul Caudel. De zaligheid of het geluk wordt zo een uitdaging tot onthechting. De andere, de beminde, of God, kan zich slechts geven als ons hart zich daarop heeft voorbereid, zich als het ware heeft verruimd, om hem te ontvangen. Er moet dus ruimte blijven in ons. Inderdaad, als we vervuld zijn, voldaan zijn, oververzadigd, dan is er geen ontmoeting meer mogelijk. “Maak u ontvankelijk en ik zal me stortvloed maken” hoorde Teresia van Avila zich zeggen. Dorsten naar liefde, dorsten naar God, ziedaar de uitdaging van het “zalig zijt gij…” in het evangelie. Zich nooit vervuld voelen om zo op zoek te gaan naar een méér en een beter en dat altijd te ontdekken en te delen. Het wonderbare van de zaligprijzingen is dat ze ons doen beseffen dat de leegte de nodige tijdspanne is om te leven van een verlangen tot tederheid.

Dus eigenlijk heeft Christus gelijk te insisteren op de “wee u…”. Niet om ons een schuldgevoel te bezorgen, maar veeleer om ons te doen ontdekken dat sommige waarden en gedragingen in onze wereld, als ze op een egoïstische wijze geleefd worden, als het ware uiteraard beletten dat een echte relatie kan tot stand komen, zowel onder ons als met God. Onmiddellijk verzadigd zijn, dat is aan duizend mooie kanten van het leven voorbijlopen ; het is zich opsluiten in een eenzaamheid oververzadigd van comfort ; het is op de lange duur alle smaak en zin in ons bestaan verliezen. Zalig of gelukkig zijn wij, elk van ons met al wat we zijn, die deze uitdagingen van God te kunnen aannemen.

Wel dan, hebben we echt altijd honger en dorst naar God en naar de ander ? Verwacht van mij geen antwoord, want dat antwoord ligt heel eenvoudig en heel innig in u, want “gelukkig, dat zijt gij” verzekert Christus ons.