Vijfde zondag

We hebben twee roepingsverhalen gehoord. De profeet Jesaja en de apostel Petrus. Twee monumenten uit de Bijbelse traditie. Zij vervullen een voorbeeldrol. Hun roeping staat model voor de wijze waarop ieder mens geroepen wordt. Ik probeer het naar ons eigen leven toe te halen. In drie stappen.

De eerste stap. Deze mensen- Jesaja, Petrus – ze nemen niet zelf het initiatief. Ze bieden zich niet aan als kandidaat volgeling. Neen, Jezus vertelt Petrus en zijn companen wat hen te doen staat: “Vaar naar het diepe, gooi de netten uit”. Er is een appél, een opdracht, dat van buiten komt. Jesaja noch Petrus bepalen waar of wanneer dat gebeurt of welke de inhoud van hun roeping zal zijn. Duidelijk is alleen dat ze een stem horen die van buiten komt.

Dat hebben we allemaal nodig. Ieder mens die geboren wordt heeft dat nodig. Dat we aangesproken worden. Enkel zo zijn we iemand. Met een naam en een gezicht. Ik leef maar dank zij de ander die me aanspreekt. De ander die me gezien heeft, die niet aan mij voorbij loopt, maar die het woord tot mij richt. Het begint al heel vroeg. Wie als baby of kleuter de stem mag horen van papa en mama, die leert op eigen benen staan. Hij/zij kan die tafelpoot waar het zich op wankele beentjes aan vastklampt loslaten en zich toevertrouwen aan de uitgestrekte armen van papa of mama. Ieder kind heeft nood aan dié vertrouwde stem die warmte en veiligheid geeft. Later, als puber en adolescent ben je aangewezen op de stem van vrienden en vriendinnen die een appél op je doen. En als jongvolwassene ontdek je de roepstem van de liefde, en je bent erdoor verrukt en betoverd want er gaat een nieuwe wereld voor je open. Wij leven bij gratie van een roepstem die van elders komt. Van buiten. Van een ander. Ik dank mijn bestaan aan het woord dat anderen tot mij hebben gericht.

De tweede stap. Petrus en Jesaja staan perplex. Ze deinzen terug. “Dit kan niet”. De stem die zich laat kennen overweldigt hen. Ze voelen zich niet waardig. “Wee mij, zegt Jesaja, ik ben verloren”. En Petrus reageert: “ga weg van mij want ik ben een zondig mens”.

Dat kennen we toch allemaal uit ons eigen proces van menswording. Die verscheurende twijfel waardoor we de grond onder de voeten voelen wegschuiven. De onzekerheid omtrent eigen kunnen en oordelen. Of die studie echt wel is wat ik zoek, of die beroepsloopbaan mij wel vervulling zal geven? Of ik wel in staat ben de relatie met deze partner waar te maken? Ik ken namelijk maar al te goed mijn kleine kanten. Mijn zelfingenomenheid. De agressie die diep van binnen zit. En mijn begeerte – mijn vele begeerten - die ik vaak niet de baas ben. Mijn zucht naar roem en erkenning.
En toch blijf ik hopen, ondanks dat alles, dat ik gevraagd zal worden. “We hebben je nodig”. Ik wil niets liever horen dan dit. Die vriend/vriendin te mogen zijn; die geliefde te mogen zijn. Die vader of moeder te mogen worden. Die verantwoordelijkheid te mogen opnemen. De twijfel mag niet het laatste zijn.

Want dan komt de derde stap. Jesaja en Petrus: niet hùn eigen gevoel van waardigheid of onwaardigheid is doorslaggevend. Het woord van de ander dat hen roept is beslissend. Niet eigen verdienste of bekwaamheid. De ander is grond van hun bestaan. “Hier ben ik, zend mij”, zegt Jesaja en tot Petrus zegt Jezus: “Ik zal van jullie vissers van mensen maken”.

De derde stap: dat is de leerschool van de eenvoud. Ik word uitgedaagd om te aanvaarden dat er mensen zijn voor wie ik de moeite waard ben. Dat ik er mag zijn zoals ik ben. Dit heeft niets te maken met eigengereidheid, of zelfgenoegzaamheid. Het is integendeel een besef waar je pas echt nederig van wordt. Nederig: niet in pietepeuterige kwezelachtige zin. Niet vanuit een zelfwantrouwen, alsof ik mezelf voortdurend wil onderzoeken op sporen van hoogmoed of ijdelheid. Geen onzin van dit soort. Maar veeleer de eenvoud waardoor het gevoel van eigenwaarde vruchtbaar wordt als verantwoordelijkheid voor anderen. Die aanvaarding zien we bij Jesaja en Petrus. Zij geven niet toe aan de verleiding zich te wentelen in hun twijfels, ze gebruiken hun onzekerheid niet als excuus om verantwoordelijkheid te ontlopen. Ze overstijgen het. Zonder triomfalisme. Maar gehoor gevend aan het woord dat tot hen werd gericht.

Dit is de uitnodiging. Te leven vanuit het besef dat alles wat ik heb aan mogelijkheden en talenten me gegeven is. En wel met de bedoeling visser van mensen te worden. Dat betekent dat je elke vorm van narcisme overstijgt om je te keren naar de ander. Naar mensen die in het water dreigen ten onder te gaan. Om op mijn beurt een woord te spreken dat een ander tot leven wekt, te redden tot leven. Want daar was het Jezus om te doen. Laten we die roeping ter harte nemen.

.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB