Preek 3 februari

We zijn getuige van een conflict. En wel bij het eerste publiek optreden van Jezus. Aanvankelijk is er enthousiasme. Hij kondigt namelijk aan dat het grote visioen dat leefde bij de joodse gemeenschap in vervulling gaat. Dat betekent gerechtigheid en barmhartigheid voor allen. Tegelijk echter is er verontwaardiging wanneer Jezus kritiek levert. Jullie grote profeten Elia en Elisa vonden geen gehoor bij jullie. Noodgedwongen zijn ze moeten uitwijken naar de heidenen. Die mensen stonden open voor hun boodschap. Het zijn de buitenstaanders die begrepen wat gerechtigheid en barmhartigheid betekenen voor een menswaardige samenleving. Bij die woorden is het kot te klein. Ze springen op en willen hem nu reeds, bij zijn eerste publiek optreden, elimineren.

Wat op het spel staat is de eigenheid van de joodse traditie. Haar identiteit. “Wij zijn toch het uitverkoren volk. Het volk van Gods bijzondere liefde. Daar willen we aan vasthouden. Daarom zijn we verplicht ons te houden aan de normen en waarden die het joodse leven richting en houvast geven!” Dàt wordt nu juist door Jezus in vraag gesteld. Welke zijn de normen en waarden die onze identiteit uitmaken? Het is een vraag die niet alleen in de tijd van Jezus werd gesteld. Het is een vraag die ook vandaag gesteld wordt. Houden we nog wel vast aan de C of de K van christelijk of katholiek als label van onze organisatie? In tal van bewegingen, organisaties, kerken, levensbeschouwingen is de vraag aan de orde. Wat is de identiteit van onze kerk? Wat is de identiteit van onze universiteit? Mag die nog katholiek heten ? Onze school?

De evangelist Lucas worstelt met gelijkaardige vragen. Wat is de identiteit van die nieuwe beweging rond Jezus. Ze bestaat nog in belangrijke mate uit joodse mensen, maar de band met de joodse traditie begint barsten en scheuren te vertonen. Steeds meer niet joodse mensen voelen zich aangetrokken tot die nieuwe zogeheten christelijke gemeenschappen. En dit zijn mensen met een andere achtergrond, mensen die er andere waarden en normen op nahouden. Lucas is zelf zo iemand. Hij schrijft zijn evangelie meer dan 50 jaar na de dood van Jezus. Er is in die 50 jaar heel wat gebeurd. Er is vooral de oorlog geweest tussen joodse verzetsstrijders en de Romeinse bezetter. Die strijd is uitgemond in de vernietiging van de tempel van Jeruzalem in het jaar 70. De joodse gemeenschap is erdoor in het hart getroffen. En ondertussen is daar die nieuwe beweging rond Jezus.

Lucas staat midden in deze dynamiek. Hij gelooft en belijdt dat Jezus de Christus is. Zoiets heeft Jezus van zichzelf nooit gezegd. Jezus behoorde niet tot die nieuwe beweging. Jezus was geen christen. Hij was jood. Hij situeert zichzelf uitdrukkelijk binnen de joodse traditie. Hij draagt die traditie een warm hart toe. Hij stelt echter tegelijk de vraag naar de praktijk van die traditie. Haar authenticiteit. Die zorg heeft Lucas duidelijk geïnspireerd. Dat blijkt uit het beeld dat hij schildert van Jezus.

Jezus trekt van leer tegen de zelfgenoegzaamheid binnen bepaalde joodse kringen van zijn dagen. Tegen de arrogantie van hen die er prat op gaan de waarheid in pacht te hebben. Hij ervaart dit als een zelfverzekerdheid die blind maakt voor de spirituele leegte van al die uiterlijkheden, rituelen en sociale gewoonten waar mensen blijven bij zweren, maar waar de ziel helemaal uit verdwenen is. Wat Jezus hen verwijt is dat ze identiteit vastknopen aan allerlei prullaria die ze als onaantastbaar voorstellen maar waar men aan vasthoudt louter uit gewoonte. Hij kan het vooral niet hebben dat de zorg voor gerechtigheid en barmhartigheid vergeten wordt.

Identiteit is geen “ding”, het is geen vaststaand, onveranderlijk gegeven. Of het gaat om een beweging, een organisatie, een kerk of wat dan ook: identiteit evolueert, fluctueert op de golven van de tijdsgeest. Ze blijft maar levend wanneer ze voeling houdt met wat mensen vandaag beroert of verontrust. Afzondering of angst van de ander hoeft dus niet. Integendeel: identiteit leeft juist van het gesprek met de ander, de andersdenkende. Zij is bereid te luisteren naar andere culturen en religies, met wie ze in een geest van openheid de dialoog aangaat. Zij leeft van de geest die overal onder de mensen werkzaam is.

Met zekerheid weten we niet veel over Jezus. Maar vast staat dat hij de joodse traditie met haar 365 geboden en 248 verboden herleidt tot het éne gebod dat de hele joodse wet samenvat: God beminnen en de naaste als uzelf. Doe dat en ge zult leven. Een andere identiteit hoeven we niet te zoeken. Het is een identiteit die we hopelijk met velen kunnen delen.

Ignace D’hert o.p.