Preek 25ste Zondag door het jaar B.

Een student zat in een trein naast een man die er als een goed gezonde boer uit zag. Die man bad de rozenkrans en liet de paternosterbolletjes door zijn vingers glijden. “Mijnheer – vroeg de student aan de oude man – gelooft gij nog in die overtijdse dingen?” En de jongeman schoot in een lach en voegde er dan aan toe : “Persoonlijk geloof ik niet in zulke dwaze dingen. Volg mijn raad. Gooi die paternoster door het raam, en leer wat de wetenschap daarover te zeggen heeft.” – “De wetenschap? – vroeg de man nederig en met tranen in de ogen – “Ik versta die wetenschap niet waarover ge spreekt… Misschien kunt gij het mij uitleggen?” De student zag dat de man diep ontroerd was. Om hem niet nog dieper te kwetsen antwoordde hij : “Als ’t u belieft, geef mij uw adres en ik zal u enkele boeken toesturen om u daarbij te helpen.” De oude man zocht in de binnenzak van zijn jas en gaf de jongen zijn visitekaartje. Toen hij dat kaartje zag boog de jongeling het hoofd, diep beschaamd, en durfde geen woord meer zeggen. Want hij las : “Louis Pasteur, Directeur de l’Institut de Recherche Scientifique, Paris” (Louis Pasteur, directeur van het Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek, Parijs).

Op amper een paar uiterlijkheden had die student geoordeeld over een man die aan het bidden was in een trein. Wel, dan is de vraag die we kunnen stellen de vraag of ook wij soms niet doen zoals die jonge man. Kunnen we een ander mens vrij benaderen of worden we daarin gehinderd door wat ons te binnen schiet? Zijn we niet vaak behept met ideeën die circuleren in de ons omgevende cultuur : namelijk dat de winnaar diegene is die beter doet de anderen, dat onze eer erin bestaat gerespecteerd en erkend te worden, dat we macht hebben als we in staat zijn de zaken te doen verlopen naar onze wensen en dat de mensen ons gehoorzamen. In dat perspectief is het dan beter sterk te zijn dan zwak, beter groot dan klein, beter bewonderd dan afkeurenswaardig. En dat is niet nieuw aangezien die zelfde ideeën al speelden in de geest van de van Jezus’ leerlingen met hun vraag : “Wie is de grootste onder ons?” Weliswaar is het zo veel eenvoudiger is te kunnen denken in zulke categorieën, en we menen tenminste, of beter we geloven, dat we weten waar we onszelf situeren in de maatschappij waarin we leven. Er zouden degenen zijn boven ons en degenen onder ons en een hele reeks mensen die zich bevinden tussen de winnaars en de verliezers. De mens zou zo altijd trachten hoger te klimmen, op te klimmen om het toppunt van zijn eigen glorie te bereiken. Een echt menselijke dynamiek is dat, maar die toch ver af schijnt van wat de Vader aan zijn mensheid voorhoudt.

Op de vraag wie de grootste is, is het antwoord van Christus striemend : “Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.” En kijk, weer eens staan we voor schut in onze zekerheden. Het is niet bovenaan de ladder dat God ons opwacht maar veeleer in dienst van elkaar. Om zijn woord kracht bij te zetten, geeft Jezus, goede leraar als Hij is, een voorbeeld. Hij neemt daarvoor een kind, en dat betekende in de cultuur van zijn tijd ‘iemand die niet meetelt’. Inderdaad, een kind werd toen aanzien als soort hinder tot de dag waarop het kon nuttig zijn in de maatschappij. Het kind werd dus niet gezien als een wondermooi wezentje om te liefkozen. Het was veeleer een (nog) niet erkend wezen en dat voor niemand van nut was. En nu is het juist zo’n kind dat Christus uitkiest. “Wie een kind al dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op ; en wie mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.” Een kind wordt uitgekozen door de Zoon van God als icoon van de Vader. Kortom, in het Rijk Gods is er geen plaats voor een dynamiek van competitie tussen de mensen. Dat kind, icoon van de Vader, nog nutteloos in de maatschappij, staat daar toch om ons eraan te herinneren dat het door God bemind wordt, dat het dierbaar is in Gods ogen. Wij allen, wie we ook zijn, wij leven uit de kracht van het geloof dat we ons door God bemind weten. Wij zijn dierbaar voor onze Schepper. En onze God komt ons nog een keer zeggen dat de almacht tot uitdrukking komt in de zachtaardigheid, dat de eer gerealiseerd wordt in de dienstbaarheid, dat de sterkte voltooid wordt in onze innerlijke zwakheid, dat de blik gericht op de andere zich geeft in tederheid. Dan en alleen dan worden we op onze beurt levende iconen van God in het hart van onze mensheid. Laten we Hem niet zoeken buiten ons. Nog op vandaag gaat God ermee door zich te openbaren in de tederheid van een blik, in de streling van een gebaar, in de zachtheid van een woord. Laten we iconen worden de enen voor de anderen, dit wil zeggen laten we aanvaarden ons te onderwerpen aan de goddelijke wet die zich voltrekt in al de daden van liefde die we stellen. Laten we waarachtige dienaren zijn de enen voor de anderen. Zo zullen we God nog levendiger aanwezig laten zijn in onze mensheid. Amen.

 

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB