Ga open

23ste zondag door het jaar B (9 september 2018)

Lezingen: Jesaja 35, 4-7a; Marcus 7, 31-37

We zijn het gewend geraakt dat er op ons TV-scherm geregeld iemand te zien is die met gebaren het gesproken woord vertaalt of vertolkt voor slechthorenden of dove mensen. Je staat verbaasd hoe ingenieus die gebarentalen zijn. Ze verschillen trouwens van elkaar naar gelang de taalgroep waarin ze gebruikt worden. Zo is bijvoorbeeld in België de doventaal voor Franstaligen anders dan voor Nederlandstaligen, en daarbinnen zijn dan ook nog eens dialecten. Hoe dan ook, net zoals wij met elkaar spreken en daarbij ons best doen om elkaar te verstaan én te begrijpen, is de gebarentaal voor doven en slechthorenden ook een geëigende manier van volwaardig communiceren, een talige vorm van sociaal contact.

Welnu, in het evangelie hebben we gehoord dat Jezus iemand geneest die – zo staat in de grondtekst – doof was en ternauwernood sprak (ik zal voor het gemak de term ‘doofstomme’ gebruiken). We mogen veronderstellen dat de opvang van mensen met dergelijke beperkingen ten tijde van Jezus niet zo georganiseerd was als vandaag. Je had nog geen dovenscholen noch logopedisten. Als je toen doof was en je je bovendien moeilijk kon uitdrukken, was je gedoemd tot een geïsoleerd bestaan. Kwam daar nog bij dat ziektes en beperkingen in die religieuze cultuur beschouwd werden als een straf van God voor eigen zonden of voor die van ouders of grootouders. En dat werd op zijn beurt gezien als een voldoende reden om uitgesloten te worden van een normaal sociaal verkeer en van de deelname aan het religieuze leven. Ik vertel dat allemaal om duidelijk te maken dat doofstommen hier in het evangelieverhaal symbool staan voor mensen aan de rand, mensen in de marge van de samenleving. Randfiguren of marginalen waren alles kwijt, men had hun zelfs God afgepakt. Zo’n totaal isolement, het moet verschrikkelijk geweest zijn.

Als de evangelist Marcus Jezus’ genezing van de doofstomme vertelt, gaat het over veel meer dan over een historisch feit. Marcus wil met zijn verhaal duidelijk maken hoe Jezus omging met marginalen of met medemensen die elke communicatie kwijt zijn. Hoe hij mensen genas, dat betekent: hoe hij mensen uit de marge, uit hun randbestaan haalde en ze terug integreerde in een normaal sociaal contact. En hoe Jezus, door dat te doen, ook God teruggaf aan de mensen.

Laten we het verhaal eens van nabij bekijken. Het eerste dat opvalt is, dat de doofstomme niet zelf tot bij Jezus gaat, maar dat anderen hem brengen en aan Jezus vragen om hem de handen op te leggen. In dat ene ontroerende zinnetje wordt beschreven hoe mensen zich de penibele situatie van een medemens aantrekken, en precies daardoor al de eerste en noodzakelijke stap zetten om samen die medemens uit zijn isolement te halen. Dat is het begin van de genezing. En daarbij komt dan het vertrouwen dat Jezus hem ten diepste kan redden. Leg hem de handen op, Jezus, vragen ze. Iemand de handen opleggen is niet de hand op iemand leggen, agressief, maar hem of haar zacht aanraken. Aanraking is heel belangrijk. Het is een democrati¬sche vorm van huidcontact, want Jezus raakt melaatsen aan, zieken, doden, kinderen, leerlingen. En mensen raken ook Jezus voortdurend aan. Dit aanraken duidt op liefhebbende, bevestigende contacten tussen mensen, tussen wie energieën kunnen stromen. Mensen krijgen zelfvertrouwen en worden opgenomen in een liefhebbende consensus. Je mag het zo zeggen: ik raak aan en wordt aange¬raakt. Dit weten schept een nieuwe gemeenschap van mensen die in hun wezen niet geaccepteerd werden maar nu zelf gevende en bevestigende mensen worden. Aanraken wil zeggen, mensen in hun hele be¬staan, zintuigelijk en geestelijk, stimuleren, hun gebrokenheid helen en hun weer het vermogen tot contact, tot denken en ervaren geven. Raak deze man aan, Jezus, leg hem de handen op!

Een tweede opvallend gegeven is, dat Jezus de man terzijde neemt, ‘buiten de kring van het volk’ staat er. Hij wil met de man alleen zijn. Het is alsof Jezus de doofstomme wil onttrekken aan de invloed die de kring van het volk op hem uitoefent en. De ‘kring’ staat hier symbool voor de sociale en religieuze omgeving die de codes instelt waarmee je dient te leven, een omgeving die je oplegt wat je dient te horen, wat je dient te zeggen, een omgeving die bepaalt hoe je je moet gedragen. Misschien is onze doofstomme zo geworden omdat hij zélf zijn oren en mond gesloten heeft voor al die opgedrongen opinies: als je de oren dichtstopt en de mond verzegelt, hoef je dit alles niet meer te ondergaan. Ja, Jezus wil met de doofstomme alleen zijn: jij moet je niets meer aantrekken van wat de anderen jou willen opleggen. Je mag in mijn deugddoende nabijheid jezelf weer zijn vanuit je zelf.

En dan volgt de korte beschrijving van de genezing: Jezus steekt zijn vingers in de oren van de man, raakt zijn tong met speeksel aan, haalt zuchtend adem en zegt: “ga open”. Wat een prachtig ritueel. We verstaan dit ritueel perfect vanuit onze eigen ervaring. Wie van ons is nooit eens als kind na een stevige valpartij luid wenend naar moeder gelopen? Hinkend, met je hand op een stevig geschaafde knie. Moeder ving je letterlijk op, bevochtigde haar hand met haar eigen speeksel en wreef dat zachtjes op je knie. En dan blies ze even nog op de wonde, gaf er vervolgens een kusje op, aaide je over je hoofd, pakte je eens goed vast en zei: kom, 't is al over. En het was over, ook al was die schaafwonde objectief zeker nog niet genezen en snikte je nog wat na met enkele korte stoten van je adem. Want eigenlijk hoorde je moeder zeggen: je weet dat je bij mij terecht kunt, je moet niet angstig zijn, je bent in mijn knuffel helemaal geborgen. Ik zie je graag. Onze ervaringen leren veel over dit genezingsverhaal. Speeksel noemt men niet voor niets ofwel moederkenszalf of ook nog Jezekes-zalf. Speeksel is vochtigheid en warmte, en dat herinnert aan de geborgenheid van de moederschoot vóór de geboorte. En de aanrakingen in de beschrijving herinneren aan het eerste geborgen opgeno¬men-worden, de eerste omarming na de geboorte. Aanraking van de oren en de tong wordt een soort ritueel waarbij de liefdeskracht zo sterk is dat ze geneest. Jezus gaat hier zeer moederlijk om met de doofstomme man en bevrijdt hem zo van zijn ziekte, versta: van zijn gebrek aan geborgenheid, van zijn tekort aan sociaal contact, van zijn marginaliteit, van het feit dat hij zichzelf niet mocht zijn vanuit zijn eigen diepe innerlijke kern. Jezus ziet die man graag. Die liefde uit zich in de oproep ‘effeta’. Ga open. Versmacht niet in je radeloze eenzaamheid. Je bent niet alleen. Er zijn al mensen die je naar hier hebben gebracht, wat een wonder! En daar bovenop zeg ik jou: kom van de rand naar het midden. Wat de ‘kring van het volk’ ook moge beweren, ook voor jou is God de naam ‘Ik zal er zijn’. Hij is er voor jou. De zegels van je oren zijn verbroken, de riem van je tong is losgemaakt.

Dit verhaal van Marcus krijgt nog een diepere dimensie vanuit wat we in de eerste lezing gehoord hebben. Daar spreekt de profeet Jesaja over de reddende nabijheid van God, en zegt o.a.: “Spreek tot allen die de moed verloren hebben: ‘vat moed en vreest niet. God komt om u te redden. Dan zullen de oren van de doven geopend worden en zal de tong van de stomme jubelen’.” Jezus maakt dat heel concreet door zijn manier van omgaan met de marginalen. Vandaar dat hij ook werd ervaren door zijn volgelingen als die reddende nabijheid van God. Ik doe een warme oproep, beste mensen, dat ook wij voor elkaar en speciaal voor wie niemand heeft, Gods nabijheid mogen uitsralen in aandacht, tedere omgang en zorg. Amen.

Bernard de Cock o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB