Niet blijven liggen

lezingen: 1 Kon 19, 4-8; Joh 6, 41-51


Ik vertrek vandaag voor mijn homilie vanuit de eerste lezing, over de lotgevallen van de profeet Elia. Het verhaal van deze vlammende profeet Gods kan ons helpen om onze persoonlijke levenssituatie te verhelderen en te bevragen. Waarover gaat het? Elia leefde in de negende eeuw vóór Christus, op het moment dat Israël een ongekende economische welvaart kent. Maar die ging ook gepaard met een afbrokkeling van de godsdienst. Elia was in strijd met de afgodenverering die koningin Izebel in Israël had ingevoerd. Afgodenverering betekende er letterlijk een vreemde godsdienst, maar ook de aanbidding van luxe en rijkdom ten koste van de armen, die agressief uitgebuit werden. Elia treedt onverschrokken en hardhandig op tegen de aanhangers van de koningin. Daarop dreigt Izebel ermee hem te laten vermoorden.

Elia vlucht naar de woestijn, in de hoop er veilig te zijn. Maar andere problemen duiken op: honger, dorst, twijfels, eenzaamheid. De eens zo onstuimige profeet krijgt een depressie. Hij is de wanhoop nabij: moe, levensmoe. Dan nog liever sterven, want wat heb je aan een leven waarin je je mislukt voelt in je opdracht, een leven waarin je alleen staat. Je kunt beter dood zijn dan zo te moeten leven. Elia legt er zich – letterlijk en figuurlijk – bij neer. Om niet meer op te staan. Hij dommelt in, maar echt slapen kan hij niet, want hij piekert. In elk geval, hij wil capituleren. Ik stop ermee! Waartoe nog? Wat haalt het allemaal uit? Midden dit kritieke ogenblik van Elia’s persoonlijke levensgeschiedenis, het moment waarop hij zijn kracht voelt begeven en hieraan toegeeft, stuurt Jahwe een engel die Elia eten en drinken brengt. Elia eet en drinkt, maar gaat onmiddellijk weer liggen. Een tweede maal komt de engel hem kracht en moed geven om op te staan en opnieuw zichzelf en zijn levensopdracht in handen te nemen. “Sta op en eet, anders gaat de reis uw krachten te boven”. Tenslotte wint de oproep van Jahwe’s engel het van Elia’s depressie. Hij staat op, eet en drinkt, en vertrekt naar de berg Horeb, waar hij God zelf zal ontmoeten.

Een prachtig verhaal uit het eerste boek der Koningen. Ik kan er zo instappen. Het helpt me op mijn zoektocht naar een gelovige levenshouding. Geloven voor mij is God aan het werk zien in elk klein detail van mijn dagelijks leven, de werking van God erkennen in de goedheid van de medemensen, in een troostend gebaar, een helpend woord, een vergevende hand. Gods aanwezigheid proeven in die mensen en die bewegingen die strijden voor de waardigheid van elke mens, die zich inzetten voor de mens naast zich, voor de kwaliteit van onze lucht, van ons water en van onze grond. Geloven is ook: niet gaan liggen, maar op hem blijven hopen. Vooral in de tegenslagen van mijn leven, ook als ik oog in oog sta met het kwaad, het lijden waarmee ik geen raad weet, mijn eigen schuld. En als ik toch ben gaan liggen, is geloven: het antwoord op het gebod van de opstanding, zoals Elia het deed na enig aandringen. Geloven is met een verwrongen, snikkende stem schreeuwen: Mijn God, waar zijt Gij gebleven?, zoals een moeder uitriep toen ze vernam dat haar twee kinderen waren omgekomen in een busongeluk. Mijn God, waar zijt Gij? roepen gefolterden, ontheemden en vertrapten. Mijn God, waar zijt Gij? roepen de slachtoffers van oorlog, op de puinen van hun door bommen platgegooide woning. Al die beelden van ellende die vanuit ons TV-scherm op ons netvlies gebrand worden.

Bij vertwijfeling en schuddebollend over zoveel onzinnige, dwaze ellende roep ik: Mijn God, waar zijt Gij? Of zou ik toch niet beter roepen: Mens, waar zijt Gij? Waar ben ikzelf? Het verhaal van Elia leert me dat God zijn mensen niet in de steek laat, zeker niet in de moeilijkste momenten. Tenminste weent hij mee met wie wenen. Hoe dikwijls laat ik anderen niet in de steek? Hoe dikwijls kijk ik niet de andere kant op, wanneer ik ongevraagd oog in oog sta met miserie. En als ik dan toch een enkele keer probeer iets voor de ander te doen, maar ik krijg lik op stuk, stank voor dank, dan is de kans groot dat ook ik net als Elia wil capituleren. Zie je wel, er is niks aan te doen. En God krijgt dan uiteindelijk de schuld. Waarom laat Hij dat allemaal toe? Geloven is: opstaan en op weg gaan, vanuit Gods dwingende oproep om mij niet te laten wegzinken in onmacht en hopeloosheid.

Hierin is Jezus Christus ons voorgegaan. De mensen uit zijn tijd hebben er niets van begrepen. Wie is hij wel? We kennen toch zijn vader en moeder en zijn familie, eenvoudige mensen! Jezus wilde door woord en leven enkel dit zeggen: Wie Gods nabijheid in eigen leven mag ervaren, voelt zich vrij om medemensen deugddoend nabij te zijn; en omgekeerd, wie goed doet aan medemensen, voelt dat God bij zichzelf aanwezig is en aan het werk is. In het evangelie zegt de evangelist Johannes dat op zijn eigen manier. De manier waarop Jezus voor de mensen heeft geleefd, is hemels voedsel, het brood dat uit de hemel is neergedaald, het brood dat de engel tot tweemaal toe aan Elia geeft, als sterkte om er weer aan te beginnen. Het brood dat ook wij hier elke week delen met elkaar. Kracht van hoop, kracht om aan de slag te gaan.

God openbaart zich enkel door mensen, door ons, door mij, door u. God blijft stom enkel door mensen, door ons, door mij, door u. Ik kreeg ooit een tekst doorgestuurd van een dankbetuiging zoals families die rondsturen naar allen die op een of andere wijze hun leedwezen hebben betuigd bij het overlijden van een familielid. Het was na de begrafenis van een jonge student, Erik, uit een gezin met veel kinderen. Hij was overleden in het academisch ziekenhuis aan een ongeneeslijke ziekte. Hij was pas 20. De tekst van de dankbetuiging ging als volgt: “In vele gesprekken, in talloze brieven die wij ontvingen, kwam de vraag naar het waarom van het sterven van Erik op die jonge leeftijd naar voor. Wij, ouders van Erik, hebben daar geen antwoord op. Wel willen wij u schrijven dat wij hebben mogen zien hoe Erik op bewonderenswaardige wijze zijn ziekte tot het einde wist te dragen; hoe Lieve, zijn vriendin, hem met onbegrensde liefde en toewijding benaderde; hoe onze kinderen steeds weer met Erik konden en mochten praten; hoe de artsen en verpleegsters hem met zorg omringden. Wij zijn ervan overtuigd dat hierin iets openbaar werd van Gods goedheid, van zijn komend Rijk. Uw gebeden, gedachten, woorden en gebaren sterkten ons in deze overtuiging en vormden voor ons gezin een steun in de afgelopen maanden”.

Daarbij aansluitend een kort gebed. “We kunnen U niet domweg bidden, o God, om een einde te maken aan de oorlog, een einde aan de hongersnood, een einde aan vooroordelen, een einde aan wanhoop, een einde aan ziekte; want wij weten dat U Jezus gezonden hebt die ons leerde zelf te werken aan een menswaardige wereld en zo uw wil te doen. Leer ons een opbouwend gebruik te maken van het verstand en het hart dat Gij aan ons hebt gegeven”.

Dit gebed, het verhaal van Elia, Jezus’ woorden, het bericht van Eriks ouders, dat alles moge jullie en mezelf oproepen om op te staan, om te geloven... tegen het duister van de piekering en van de capitulatie.

Bernard de Cock o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB