16° Zondag door het jaar. B.

Het evangelie van Marcus dat we hebben voorgelezen is gemakkelijk te verstaan:
Jezus heeft zijn apostelen uitgestuurd ter verkondiging, hij heeft hen enkele grondregels voorgehouden, van onthechting – het prediken is er onder geen enkele omstandigheid omwille van eigen winstbejag of politieke doeleinden, maar omwille van het Rijk Gods en zonder enige vorm van geweld - ; dat hebben we vorige week in het evangelie vernomen.
Nu wil hij even met hen alleen zijn – waarschijnlijk om samen de opgelopen ervaringen te bespreken. Zij nemen daarvoor een bootje, maar de mensen hebben het door en wanneer zij terug aan land gaan, staat een menigte hen op te wachten.
De mensen willen Jezus zien en horen; zijn boodschap grijpt hen naar het hart; zij spreekt hen blijkbaar aan op een manier die erop wijst dat de manier waarop Jezus de mensen aansprak en de inhoud ervan perfect inspeelde op wat die mensen in die tijd van een profeet als Jezus hebben verwacht.

Wanneer we echter teruggaan naar de lezing uit de Brief van sint Paulus aan de Efesiërs, krijgen we, zeker tegenwoordig, precies de omgekeerde indruk. Tenzij we zin na zin uitermate oplettend hebben geluisterd... en dan nog. Ik durf het zeker niet aan iemand te vragen even de hoofdgedachte ervan te komen weergeven. Dat wil nochtans niet zeggen dat Paulus de eenvoudige boodschap van Jezus heeft verduisterd. De woorden die hij gebruikt zijn echter tijdsgebonden en klinken archaïsch; zoals het dikwijls het geval is met christelijke geloofstaal, hebben we de indruk dat die buiten onze ervaringswereld staat. Dit is nochtans niet waar, ik zou bijna zeggen integendeel.

Wie aandachtig het middenstuk van het uittreksel van de Brief aan de Efesiërs heeft beluisterd, hoorde twee affirmaties van Paulus: dat Jezus de band tussen God en mens heeft hersteld, maar ook dat hij “de Wet met haar geboden en voorschriften (of: verordeningen) buiten werking heeft gesteld”... Wie de evangelies doorgelezen heeft, kent de achtergrond van deze beweringen: Jezus heeft het voortdurend aan de stok met farizeërs, schriftgeleerden, maar vooral wetgeleerden. Voor Jezus is de verhouding met God door die Wet en voorschriften verbroken: niet meer barmhartigheid, trouw en gerechtigheid, vrede onder de mensen en broederschap – kenmerken van het deelhebben aan Gods eigenschappen – zijn belangrijk, maar wél het naleven van reinigingsvoorschriften, casuistische regels verbonden aan de Sabbat en die de verhouding tot de medemens bepalen, die onrein wordt geacht. Mensen konden bepaalde beroepen niet uitoefenen omdat ze van nature onrein waren.
“Terug naar de liefdevolle en barmhartige God” is als het ware de lijfspreuk van Jezus, die dat zei vanuit zijn eigen ervaring van God, die ook de God van de Profeten Jesaja, Jeremia of Amos was. Vandaar de parabel van de Barmhartige Samaritaan en het antwoord van Jezus op de vraag welke het voornaamste gebod was. Men kan best zeggen dat sommige van die farizeërs te vergelijken waren met wie wij tegenwoordig “radicalen” noemen.
Als wie die context van de kruisiging van Jezus erkennen, dan gaat ons een licht op en verstaan we de laatste zin van Paulus: “Dank zij Jezus hebben wij allen door zijn Geest terug toegang tot de Vader”.

De grondwet van het menselijk leven is niet afgeschaft, de waardigheid van de mens die hij in zijn verbondenheid met God van nature heeft verkregen is niet weggeveegd, integendeel! En dàt hebben de mensen die Jezus kwamen beluisteren goed begrepen: de bevrijding van de Wet opent de weg naar heil en vrede. De authentieke godsverhouding wordt duidelijk in de Godservaring van Jezus : de mens erkent de waarden van compassie, vergevingsgezindheid, menselijke trouw, zelfoverstijging en zelfvergetelheid, zoals de redders het beleefden in de grot van Thailand, vredelievendheid in solidariteit met onze medemens, waar hij ook vandaan komt, dit alles omdat we in ons hart die transcendente goddelijke deugden als waarheid en schoonheid onderkennen.

Onze tijd is een tijd waarbij het Vaticaans Concilie van vijftig jaar geleden naar die essentie van het christendom is teruggekeerd. Dat heeft christenen toch wat in verwarring gebracht: men had altijd al gesproken van “de vrijheid van de kinderen Gods”, maar nu stelt zich de vraag naar het authentisch beleven van ons geloven en hopen als christenen. Rechten en waardigheid van de mens zijn niet in de eerste plaats mijn rechten waar ik voor ga vechten, maar rechten en waardigheid van mijn medemens met zijn eigenheid, zoals ikzelf een eigenheid heb. De vragen reiken nu zelfs zowel het begin van het menselijk leven als het waardige levenseinde. Een ding is echter zeker: wij kunnen ook in dit geval niet spreken over rechten, maar van respectvol handelen, zoals wij ook niet de vrijheid hebben om onze gebuur vanuit onze eigen vrijheid neer te slaan.

Jezus sprak vanuit zijn authentieke relatie tot God, en bevrijde zo de mensen die gretig naar hem kwamen luisteren. Hij bevrijde, maar terzelfdertijd bracht hij hen tot het bewustzijn dat wij als mensen door God met mekaar een diepere band hebben die onze weg is naar een gelukkig en vredevol leven.

Emilio Platti o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB