15 ° Zondag door het jaar. B.

Marcus 6,7vv

Het valt niet meteen op, maar bij nader toezien ontdekken we in de tekst van het Marcusevangelie heeft een uitgesproken politieke draagwijdte. Marcus schrijft zijn evangelie niet in Palestina, het land waar Jezus rondliep, maar in Rome, het politieke centrum van die dagen. Rome dat per se controle wil hebben over Palestina, en het daar behoorlijk moeilijk mee heeft. Want er zijn voortdurend opstootjes en tussen het jaar 66 en 73 zijn ze in een regelrechte oorlog verwikkeld. Marcus maakt het allemaal mee in Rome, telkens wanneer troepen triomfantelijk uit Palestina naar Rome terug keren om een gewonnen veldslag te vieren.

Dat is wat zich voordoet kort na het jaar 70 van onze tijdrekening. Het is het moment dat de Romeinse generaal Titus terugkeert uit Palestina waar hij de tempel van Jeruzalem met de grond gelijk heeft gemaakt en de joodse opstandelingen de mond heeft gesnoerd. Het gaat niet zomaar om een simpel straatgevecht van stenengooiende jongeren. Het gaat om een regelrechte oorlog die jaren aansleept en die niet duizenden, maar tienduizenden doden heeft geëist. Marcus maakt het mee: de arrogante intocht van Titus in Rome. Ostentatief wordt aan de menigte de buit getoond die ze uit de tempel van Jeruzalem hebben meegepikt: de zevenarmige kandelaar, de grote gouden tafel van de toonbroden, de zilveren trompetten, het purperen voorhangsel uit de tempel. Stuk voor stuk symbolen van de joodse religie. “We hebben ze te pakken”. Dat is het zogeheten goede nieuws dat Titus aankondigt. Judea is gevallen. Dat is zijn evangelie.

“Evangelie” is oorspronkelijk namelijk geen christelijke term. Het is een term die afkomstig is uit de Romeinse wereld. Telkens wanneer een militaire overwinning werd behaald werd dit als “evangelie” begroet. Goed nieuws. De vijand is verslagen. “Judaea capta”. Dit is wat Marcus meemaakt, staande tussen een hysterisch huilende en applaudisserende menigte. Deze zogeheten pax Romana kan maar overeind blijven dank zij de vergoddelijking van de Romeinse staat. Dank zij de verering van keizer Augustus als god. Marcus moét hiertegen reageren. En dat doet hij met zijn evangelie, een heel ander evangelie, een tegenevangelie.

Het is dan ook veelzeggend dat Marcus zijn verhaal begint met de woorden “begin van het evangelie van Jezus Christus”. Dat in Rome laten klinken, dat kan tellen. Want dit is niets anders dan een provocatie aan het adres van de Romeinse politieke wereldorde die zichzelf “goddelijk” noemt. Want het evangelie dat hij, Marcus, vertelt staat haaks op de waarden en normen die gelden in de beschaafde wereld van die dagen. Niet de brutale overwinning van keizer en kapitaal is het waard evangelie – goed nieuws – genoemd te worden, maar het verhaal van de profeet uit Nazareth.

Marcus heeft geen spektakelstuk te bieden. Hij vertelt hoe Jezus zijn leerlingen op weg stuurt, twee aan twee. Eenvoudige mensen, voornamelijk vissers. Ongeletterd. Zonder intellectuele bagage. Ze worden op pad gestuurd, niet als gezanten van een politieke droom. Niet als bouwers van een kerkelijk instituut. Maar als getuigen van een levensstijl, waarbij de uitgestoten medemens, de lijdende medemens, de arme medemens, de vluchteling centraal wordt gesteld. Het slachtoffer bepaalt onze plaats. Niet omgekeerd. Niet wij die vanuit onze grootmoedigheid rond kijken om te kiezen wie we van onze overvloed mee laten profiteren. Omgekeerd: het slachtoffer in het centrum. Het is een evangelie waarvan de politieke betekenis ons nauwelijks kan ontgaan.
En tegelijk blijft het een boodschap die zich voltrekt in het alledaagse. Zieken de handen opleggen: dat betekent medeleven. Maar tegelijk ook een inzet waarbij geijverd wordt voor betaalbare medicatie voor alle mensen. Onreine geesten uitdrijven: mensen helpen hun eigen weg te vinden in het leven. Maar ook : aandacht vragen voor psychiatrische patiënten die niet thuis horen in gevangenissen. Vluchtelingen niet aan hun lot overlaten. En tegelijk: werken aan een politiek van grootmoedig humanisme. Zo groeit een nieuwe familie. Een verbondenheid in de geest van Jezus.
Wij beleven momenteel het einde van de kerk als sociale, culturele en maatschappelijke grootheid. Vandaag kan de christelijke beweging alleen nog overleven als een vrije bewuste keuze. Het teken daarvan herkennen we in deze tafelgemeenschap. In het samen breken en delen van het brood. Leerlingen van Jezus delen het leven met elkaar. Wel en wee, vreugde en verdriet, lust en leed, brood en wijn. Hier krijgt de nieuwe familie haar volle betekenis als warme en gulle verbondenheid. Aan deze tafel als symbool van gedeeld leven.

Ignace D’hert o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB