Wie heeft recht van spreken?

14de zondag door het jaar (B)

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen worden wij om de oren geslagen én met analyses van maatschappelijke problemen én met partij-programma’s die bij hoog en bij laag beweren dat ze die problemen op een passende manier gaan aanpakken en oplossen. Wat daarbij opvalt is, dat er bij allemaal wel eens een loopje genomen wordt met de waarheid, of tenminste met datgene wat zo dicht mogelijk de waarheid benadert. “Men zegt dat”, “we mogen ervan uitgaan dat”, “het spreekt toch vanzelf dat”. Dikwijls is wat daarop volgt, hoegenaamd niet zo duidelijk. Er staat in een bekende Vlaamse krant zelfs een rubriek met als naam “factcheck”, waarbij nagegaan wordt of beweringen in overeenstemming zijn met feiten, of ze berusten op de werkelijkheid. Niet waar, eerder niet waar, eerder waar, waar... En dan sta ik soms versteld dat hetgeen ik als evident of als waar aannam, dat helemaal niet is, integendeel. Dat ik veel vooroordelen heb, dat ik kijk door mijn eigen fel gekleurde bril, dat ik mij – meer dan me lief is, heb laten beïnvloeden door de media of door kortzichtig eigenbelang.

In het Westen hebben wij enkele eeuwen geleden een periode van Verlichting gekend, waarin een aantal filosofen de mensen opriepen om zelf te denken. Ge hebt verstand gekregen, heb dan ook de moed om het te gebruiken. Dat geldt voor de meeste zaken in ons leven, zeiden ze: kwesties van gezondheid, van levensovertuiging en godsdienst, van politiek, enz. Heb de moed zelf te denken, laat u niet indoctrineren, door niets of niemand. Die periode van ontvoogding was een soort factcheck avant la lettre. Ze is een zegen geweest in onze contreien, maar ze is nooit ten einde. Tot op vandaag blijft het een te vervullen opdracht. Denk maar aan dreigende religieuze fundamentalismen en aan oprukkende nationalismen.

Tegen die achtergrond heb ik het verhaal van Marcus opnieuw beluisterd, het verhaal over de tegenstand die Jezus ondervindt in Nazareth, het dorp waar hij opgroeide, waar iedereen hem kent (‘ons kent ons’) en waar ook zijn familie nog woont – zijn ouders, broers en zussen. De mensen daar zijn geschokt door de boodschap van Jezus, en ze laten het zien dat ze er aanstoot aan nemen. In de oorspronkelijke tekst van Marcus (in het Grieks) staat er tot drie keer toe het minachtende ‘die daar’, of ‘die kerel’ als er over Jezus gesproken wordt. Waar heeft die daar zijn mosterd gehaald, hij heeft toch geen theologie gestudeerd; en dan die wonderen, dat die door de handen van die kerel gebeurd zijn – zijn handen dienen toch om meubels of dakgebinten te maken; bovendien kennen wij maar al te goed de familie van die man. Denigrerende taal aan het adres van Jezus. Hij had al iets gelijkaardigs meegemaakt in Nazareth, met zijn naaste familie. Enkele hoofdstukken eerder beschrijft Marcus de afwijzende reactie van zijn moeder en zijn broers, die Jezus naar huis willen meenemen, omdat hij (‘die van ons’) de familie in opspraak brengt

Is die reactie van de familie, en hier vandaag, van de dorpsgenoten een soort factcheck waarover ik daarnet sprak? Of een uiting van persoonlijk en kritisch nadenken over wat Jezus hun heeft verteld? Zijn ze geïnteresseerd in het waarheidsgehalte van wat Jezus zegt? Neen, integendeel, het is net het omgekeerde. De mensen, ook de dichte familie, aldus Marcus, zitten vast in hun eigen kijk op de persoon van Jezus zoals ze hem altijd hebben gekend. Een gewone jongen, onze zoon. Wat denkt die wel? Dat hij zich aanmatigt te spreken en te handelen vanuit God. Wie heeft hem daartoe gemachtigd? Met die vraag zitten de dorpsgenoten in hun hoofd. Uiteraard stoten ze zich aan wát hij zegt en wát hij doet aan wonderen, maar nog meer en in eerste instantie: dat híj het zegt en dat híj die wonderen doet. Ze zitten vast in een bepaalde kijk op wie het voor het zeggen heeft in de godsdienst. Alleen wie door het instituut officieel is aangesteld en gemachtigd, priesters en schriftspecialisten, mogen uitleg geven en handelingen stellen in naam van God. Zeker niet iemand als Jezus. Als iedereen zo zou beginnen, waar komen we dan uit?

De dorpsgenoten zitten ook nog vast in een bepaalde kijk op wie God is. Ze hebben het nochtans tot vervelens toe in hun geschiedenis via hun profeten gehoord: Ik, zegt God, heb geen offers nodig, ge kunt Mij daarmee niet omkopen, Ik gruwel ervan. Het enige dat voor Mij telt, is een rechtvaardig hart en oprechte liefde voor elkaar. En aan uw vruchten zal Ik u kennen. Als die vruchten op persoonlijk vlak en op maatschappelijk vlak niet overeenstemmen met wat Ik opdraag, word Ik kwaad. Dat Godswoord wordt door de mond van de profeten aan het volk, aan ons gericht. Daarom zijn profeten allesbehalve populair, behalve bij de mensen voor wie ze het opnemen. Maar bij de meerderheid van de bevolking kunnen ze niet op bijval rekenen. Integendeel, niemand van ons wordt graag te kijk gesteld of op zijn plaats gezet. En al zeker niet als het gebeurt door iemand die we kennen, iemand uit onze eigen familie, uit onze vriendenkring, uit onze sociale groep. Wat denkt die wel?

De reactie van Jezus is te begrijpen. Hij had zich in de profetische traditie geplaatst. Hij zag het als zijn roeping Gods droom voor de mensen te verwoorden en waar te maken, hij deed felle uitvallen naar de mensen die de droom accapareerden voor eigen gewin, die de godsdienst misbruikten, die God verduisterden en Hem wegtrokken van de mensen. O nee, Jezus vindt niet van zichzelf dat hij een grote profeet is die moet geëerd worden, zo is hij niet. Bovendien kent hij het lot van de profeten, zijn voorgangers. “Jullie hebben hen gedood”, zegt hij tegen zijn volkgenoten. Dus Jezus wist maar al te goed dat zijn woorden – overal waar hij kwam en zou komen – op tegenstand zouden stoten. Maar hij is extra verdrietig en gekrenkt dat die tegenstand zo fel is bij de mensen die hem het meest eigen zijn: zijn familie, zijn vrienden, zijn dorpsgenoten.

En Marcus voegt er fijntjes aan toe dat hij er geen wonderen kon doen, alleen een paar zieken genezen, om te eindigen met de uitspraak dat Jezus verbaasd is over het ongeloof daar. Zonder geloof zijn er geen wonderen. Als je niet ten diepste gelooft dat Gods genade tot ons komt door Jezus, via zijn woorden en in zijn levensvoorbeeld, en ‘door mensen die niet met een grote naam van elders komen, maar mensen die, midden onder ons, een uitnodiging zijn om God te herkennen in de alledaagse werkelijkheid’ – als je dat niet ten diepste gelooft, kan ook het wonder van Gods liefde niet geschieden.

Mag ik nog even terugkeren naar het begin van mijn preekje? Een goede factcheck kan nooit kwaad. Een gezonde houding van kritisch denken is altijd noodzakelijk. Een goede verkondiging, een sterke profetische oproep, een gezonde interpretatie van de Bijbel, ze kunnen ertegen. En als ze er niet tegenkunnen, als ze het kritisch denken niet aankunnen, dan klopt er iets niet. Ik pleit hier voor een altijd te zoeken evenwicht tussen rede en geloof, tussen verstand en vertrouwen. Ik ben blij dat onze Schepper ons die mogelijkheid heeft geboden.

Bernard de Cock o.p.

 

 

 

 

 Beluister de

 jubileumhymne

 

 

 

 

 

Jean Mossoux 

 

 

 

 

De Dominicaanse gemeenschap in Knokke

Sint-Dominicushuis | Sparrendreef 91 | 8300 Knokke-Heist

T 050 60 24 55 | E Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.IBAN BE36 7380 1199 5181 | BIC KREDBEBB