Zondag 11 maart 2018

 

De lezingen van vandaag brengen ons als het ware het overzicht van onze bijbelse geschiedenis, maar ook een inzicht in ons christelijk geloven.
In de lezing van het Boek der Kronieken van het oude Israël wordt vermeld hoe sommige priesters van het jodendom met vele anderen stilaan van het oude geloof afvielen, dat uiteindelijk de tempel zelf door brand werd verwoest en het volk in ballingschap werd gedreven. Als men die geschiedenis beziet kan men wel zeggen dat het een wonder is dat het jodendom dat allemaal heeft overleefd; ballingschap en terugkeer, met uiteindelijk de verwoesting van Jerusalem en de tempel door de Romeinen, en de exodus die daarmee samenging...

En toch overleefde het jodendom dat allemaal tot nu toe, ook buiten het tegenwoordige Israël, en men kan er niet aan twijfelen dat dit samengaat met de kern van het joodse geloof van het Oude Testament, uitgedrukt in het Boek Deuteronomium: “Hoor, Israël, de Heer is onze God, de Heer is de Enige. U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u vandaag voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. Spreek er telkens opnieuw met uw kinderen over, zowel thuis als onderweg, wanneer u slapen gaat en opstaat. Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad”. Deze zinnen die men het Sjema-gebed heet, omdat ze beginnen met de oproep “Hoor, luister, Israël”, een uitdaging, a challenge, die aanzet tot luisteren, en meteen ook tot instemming, geloven, een engagement dat sterker is dan de grootste rampen die het joodse volk heeft meegemaakt, tot en met de Shoah...

In feite brengt dit ons tot de volgende tekst die wij gelezen hebben: het gesprek van Jezus met Nikodemus, dat Johannes in zijn Evangelie heeft ingevoegd. In een antwoord dat Jezus al vroeger gegeven had aan een schriftgeleerde, op de vraag wat het allereerste gebod is, verwijst Jezus naar het Sjema Israël, maar na dat eerste gebod, volgt een tweede: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee." De schriftgeleerde had daarop bevestigd: "Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf dat gaat boven alle brand- en slachtoffers." Een antwoord dat Marcus in zijn evangelie heeft opgenomen (Marcus 12, 28b-34).

Op het colloquium met moslims dat in 2008 werd gehouden op het Vaticaan, en waaraan ik mocht deelnemen, werd de vraag gesteld wie die “naaste” wel was, want ook in onze taal spreken wij van onze naaste familie en kunnen wij het begrip beperken tot onze familie en vrienden; mensen die we goed kennen, die “onze eigen kring” uitmaken. Zo kan men het woord begrijpen binnen het jodendom, maar misschien ook binnen de moslimgemeenschap, vanuit de Koran. In de evangelies is Jezus zelf op die vraag ingegaan, en legt het uit met de parabel van de Barmhartige Samaritaan, en zelfs breder nog, met vergevingsgezindheid en, nog breder, de vijanden incluis. Geen woord in de Bijbel dat de medemenselijkheid zo universeel maakt! Jezus gaat hier stukken verder dan wat voordien verstaan was binnen het jodendom; en ook bij de Islam.

Hoe dan ook, bij Jezus vinden we eigenlijk het enige fundament dat de mensen allemaal verbindt; de transcendente grond voor mensenrechten. En ik voeg er dit aan toe: verklaren dat mensenrechten bestaan is een geloof. Dat blijkt hier meer dan duidelijk. Nikodemus was zeker een van de vooraanstaande joden die incognito Jezus om uitleg kwam vragen. Hij was gefascineerd door de taal en het handelen van Jezus, maar zijn status maakte het hem moeilijk om in het openbaar met Jezus te gaan spreken. Maar wat was het dat Nikodemus zo aansprak in Jezus? Het antwoord is volgens mij duidelijk: niet een aantal voorschriften vervullen zoals de farizeërs deden, wassingen, rituelen en dierenoffers, die Jezus compleet relativeerde.
Soms vraagt men ook of het dan niet genoeg is te zeggen dat het katholieke geloof stelt dat Jezus, Christus, de Zoon van God is; precies zoals Johannes dat zegt in dit evangelie. Voor onze tijd blijkt het dat het niet meer voldoende is zoiets als een formule te beamen. Tegenwoordig zeggen sommigen dat religieus geloven niet meer van onze tijd is; meer nog, dat het eigenlijk primitief en ouderwets is: gewoon woorden herhalen die sinds eeuwen in de catechismus staan... Ooit antwoordde mij een studentin op het examen dat het toch klaar was waar het verschil zat tussen islam en christendom; en ze zei: “dat Jezus de Zoon van God is”. Ik dacht toen: meisje, tegenwoordig moet ge aan de moslims ook zeggen wat die zin betekent! Op een examen mag men niet ingaan op geloofsvragen; maar ik dacht bij mijzelf het volgende:

Wat als men die teksten verstaat in de zin dat Jezus een solidariteitsband schept tussen alle mensen? Dat hij de mens deugden voorhoudt die eigenlijk de mens boven hemzelf optillen, verheffen, en dan uiteindelijk echt tot mens maken? Wat als men de vraag stelt of de rede volstaat om elke mens, wie hij of zij ook is, dezelfde menswaardigheid in rechten te geven, en het blijkt dat er een méér aan engagement nodig is dan de rede of de menselijke natuur voorschrijven? En nu dat we meer en meer horen over de rechten van de vrouwen, dat ons geloof ook dààr gelijkwaardigheid inhoudt; menswaardigheid en onaantastbaarheid van elke persoon, vrouw of man, een kind of een jongvolwassene, een ouderling, een gehandicapte...!

Wat betekent het dat er een project is van Broederlijk Delen met Oegandezen in Oeganda waarvoor wij ons willen inzetten? De wereld is klein geworden, maar houdt dat in dat Oegandezen onze naaste zijn? Of is er daarvoor geen zelfoverstijging nodig – un supplément d’âme, un “surcroît” zoals men in het Frans zegt – dat het redelijke, het natuurlijke van de mens, overstijgt, om het ideaal van Jezus na te volgen en men zo kan spreken van transcendentie naar God? Dat Jezus inderdaad, wat men goddelijke deugden noemt, in zijn menselijkheid meedroeg? Barmhartigheid, liefde voor alle mensen, zonder grenzen, zoals men spreekt van “Artsen zonder grenzen”?
Paulus zei dat de Grieken wijsheid zochten, wij trouwens ook, als verre navolgers an de Griekse filosofen; maar hij zei er ook bij dat Jezus méér heeft gedaan om zijn ideaal eerlijk te blijven volgen. Dat hij zelfs tot het uiterste is gegaan, tot het kruis, om eerlijk te blijven ten overstaan van zijn goddelijke Vader!

Dàt dit soort transcendentie bestaat, is volgens mij de kracht die het jodendom rechthoudt door zovele eeuwen heen; maar vooral : het is de kracht die het christendom verleent, niet om te blijven staan bij besnijdenis, verdoofde of niet verdoofde dierenoffers, formele wassingen en abluties, onwettigheid van voedsel of drank, tot en mét onreinheid van mannen of vrouwen, maar de gezindheid die menselijk vrije handelen optilt naar waarachtige broederlijkheid van vrouwen en mannen, een geest die elke mens een onaantastbare menswaardigheid geeft, met inbegrip van de enorme verschillen die elke individuele mens kenmerken. In dit geloof mag ieder fier zijn op zijn particuliere identiteit, gedragen door zovele mensen die hem tot daar hebben opgebracht. En ook fier zijn op zijn geloof dat misschien méér dan ooit ook vandaag van onze tijd is.

 

Emilio Platti o.p.